Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dellijk uit het insect zou kunnen ontwikkeld hebben, al ware het ook zoo ontwikkeld als eene mier, die betrekkelijk zeer reusachtige hersenen heeft. Uit eene mier zou zich altijd slechts eene „boven-mier" met menschelijke hersenen hebben kunnen ontwikkelen, maar overigens met huidskelet, buikmerg en ruggevat, — terwijl de aap in zijn inwendig skelet, ruggemerg en hart, reeds geheel de richting van den mensch volgde en alleen nog de meer ontwikkelde hersenen noodig had, om dat inderdaad te worden.

Maar daarentegen hangt het insect ten nauwste samen met geheel andere diergroepen.

Gij zit aan uw studeertafel. Plotseling kijkt gij op en van het plafond laten zich een paar vergenoegde diertjes langs lange draden naar beneden zakken, verdiept in eene zeer gewichtige bezigheid, die hen alles om zich heen doet vergeten. Na eene seconde slingeren zij reeds weer uit elkaar. En nu klautert het eene weer pijlsnel naar boven, waarbij het schijnt, alsof het zijn eigen draad inslikt. Na eene poos volgt ook het andere.

Het is een paartje verliefde spinnen.

De spin is geen insect. Zij veroorlooft zich acht pooten, in plaats van zes, te hebben en staat ook overigens meer op zich zelf. Maar als men haar met het gewerveld dier vergelijkt, dan vertoont toch alles: buikmerg, ruggehart, chitineskelet enz. zoo door en door het type van het insect, dat men het minstens zeer dicht in de nabijheid daarvan moet plaatsen. Hetzelfde geldt van een diertje, dat bij ons volkomen onschuldig is, maar in de tropen niet zelden de beminnelijke eigenschap bezit van meer dan een kwart meter lang te zijn en dan van de zoldering der hut in het middagmaal van den reiziger te vallen, waarbij het dan bovendien nog venijnig bijt: den duizendpoot. Verder van den schorpioen, die zeker voldoende bekend is. En eindelijk van één der grootste humoristen onder de dieren : den kreeft.

Sluiten