Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren, die men „rankpootigen" noemt, wegens de rankvormig vertakte pooten. In hunne jeugd zijn deze rankpooten nauwelijks van andere jonge kreeften te onderscheiden. Vroolijk zwemmen zij in de open zee rond. Men ziet het hun wel aan, dat zij nog niet voltooid zijn, dat zij nog eene soort van „larve" voorstellen, maar alles aan deze larve wijst op het denkbeeld, dat zij een, in wording verkeerende, echte kreeft is. Op een goeden dag gebeurt er iets bijzonders met hem.

De jonge rankpootkreeft, die tot nogtoe zoo vergenoegd en levendig rondzwom, vindt eindelijk een plekje, dat hem toelacht: en fluks gaat hij op zijn hoofd staan en ontwikkelt uit eene klier aan de sprieten, de zoogenaamde „cementklier," een vast cement, waarmee hij zich, letterlijk op den kop staande, vastlijmt, om voortaan als een gewas op de éénmaal uitgekozen onderlaag bevestigd te blijven. Meestal is dit een stuk hout of koraal of ook wel heel gezellig op de dikke huid van een levenden walvisch. Dikwijls wordt het vastgehechte deel als een steel uitgerekt, zoodat als 't ware één dikke bloemknop ontstaat, uit wiens spleet (in werkelijkheid de schelp van het, op den kop staande en vastgelijmde, kreeftdier) de zes paren, in gelede ranken verdeelde, pooten, als meeldraden bij eene openbarstende bloem, naar buiten dringen.

Dat heeft heel wat hoofdbrekens gekost, om in dit vastgegroeide rankendier nog den kreeft te herkennen. Het voltooide wezen kende men reeds sinds lang, zonder te vermoeden, wat het was. In de naïeve dierkunde van het volk had zich, de hemel weet hoe, hardnekkig de meening gevestigd, dat de bekende geheimzinnige knoppen, die aan wrakhout van schepen, in dikke bossen met rooden steel en blauwe kroon, naar beneden hangen, eene uiterst geheimzinnige soort van vogeleieren waren, waaruit, als 't ware door eene soort van oerteelt, de rotganzen zouden ontstaan. Later werden zij voor schelpdieren gehouden en kwam de tegenwoordige (onjuiste) benaming : „eendenmossel" inge-

Sluiten