Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaar rolt buikopwaarts eene verdieping hooger — en ditmaal daarheen, waar het behoort: naar den eileider. De weg naar den eierstok, waar de eitjes op de bevruchting wachten, is nu, wat de richting betreft, duidelijk voorgeschreven en de zaaddiertjes streven dus flinkweg naar boven — maar, o schrik, de eileider is naar den eierstok door

eene nieuwe deur gesloten, vóór welke alles weer moet wachten.

En weer opent zich eerst na eene poos de barrière en de eieren, die daartoe reeds gereed zijn, worden nu bevrucht. Een weinig later dringen reeds bevruchte eieren benedenwaarts en gij meent, dat zij nu denzelfden weg als de zaaddiertjes terug zullen afleggen en door de bevruchtingsscheede aan het licht zullen komen.

Maar - 0, nieuwe schrik - : nu is in dien tusschentijd de geheele keldermoeder verveld en in de nieuwe huid ontbreken die scheede-openingen en, waar deze zich voor den kelderman openden, bevindt zich nu ook de harde buikwand zonder den minsten doorgang. Wel ligt nu op eene andere plaats tusschen den vijfden en zesden borstring eene nieuwe, vroeger niet aanwezige, opening, als geschapen voor de geboorte der rijpe eieren. Maar hoe nu daarheen te komen uit het thans naar beneden doodloopende slop?

Weer moet er eene daad van geweld plaats hebben • barstte vroeger de scheede naar binnen open, thans barst nog meer naar binnen de wand van den eileider, opent zich in de buikholte der moeder, en hierin valt nu ei op ei. Bij den mensch zou zoo iets het toppunt van afgrijselijkheid zijn, als de baarmoeder barstte en het kind in het open moederlijf, waar de darmen liggen, terecht kwam. Maar voor onze keldermoeder maakt dit niets uit. Zij heeft nu hare eieren, waar zij ze hebben wil, want de eieren zijn nauwelijks vrij in de buikholte aangekomen, of zij worden nu door die opening naar buiten geëxpediëerd. Geheel naar buiten trouwens nog niet. Want aan de vijf eerste paren pooten der moeder zijn intusschen ook nog vijf zoo-

Sluiten