Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde der menschen, noch van die der spinnen. Slechts de schedel scheen mij overoud en de kleine achtpooters achter hare zijden vaantjes, die grijs waren van het stof, leken mij zeer jonge kaboutertjes, die niets geven om de eerbiedwaardigheid van den ouderdom.

Heden ging het mij omgekeerd. Al moge het menschenkind, dat dezen schedel droeg, ook feitelijk reeds vóór achttienhonderd jaren liefgehad hebben — het had toch lief als mensch, als cultuurmensch. De spin echter heeft werkelijk het uiterlijk van een grijsaard, hare liefde is oud en grijs, als van eene vreemde planeet. Daarin ligt eene overoude verwarring, die men nooit te boven gekomen is.

In het liefdeleven der spin, dat, met haar, wellicht teruggaat tot in den steenkolentijd, ligt een vraagstuk, dat nog niet behoorlijk is opgelost en dat eigenlijk het hart van alle liefde raakt. Het vraagstuk van het verschil tusschen : het eten en de liefde.

Keeren wij nog een oogenblik tot de dwerghistorie terug. Gij herinnert u, hoe de liefde in het algemeen een aanvang nam. Het eten was reeds voor de oercellen eene noodzakelijkheid. Het vulde het eeuwige verbruik in de cel weer aan en maakte de stofwisseling mogelijk, waardoor het lichaam bleef, zooals het was. Maar het ging verder dan de eenvoudige aanvulling en maakte ook eene positieve toename mogelijk : het lichaam groeide. En dit groeien voerde weer tot eene splitsing van het ééne individu in twee nieuwe, — dus tot den eenvoudigsten vorm van voortplanting.

In dien zin is het volkomen juist, dat het eten eene grondvoorwaarde der liefde was, — geen tegenstelling, doch eene zuivere logische veronderstelling.

Maar toen kwam de geslachtsliefde. Met hare versmelting van leven in leven. Cel in cel. Eicel met zaadcel. Uit deze versmelting kwam een verhoogde groei voort. En zoo was

Sluiten