Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitspuwen, zonder dit echter dadelijk te kunnen, daar gij u in zijn gehemelte geboord hebt, als een egel in den snuit van een hond.

In één woord : gij zoudt ons aardigste vischje geworden zijn: de stekelbaars, ook wel „stekeltje" genoemd, of in ons geval: Stekelinsky. 2) En daarin zoudt gij niet alleen overgegaan zijn, als straf voor het stekelige uwer ziel in 't algemeen, maar ook omdat dit „stekeltje" daar beneden, diep in het stille water, reeds alles feitelijk verwezenlijkt heeft, wat gij van uwe anti-feministische toekomst gedroomd hebt.

Och, onze menschelijke droomen zijn zoo ijl: wij bouwen de verhevenste luchtkasteelen, een nieuwen hemel boven wolkenkoekoeksheim 3), in het jaar 3000 en zooveel. En ziet: de natuur heeft dat alles reeds sinds jaren lang vóór ons gedaan, beproefd en gezift door de ervaring van lang vervlogen jaarduizenden. Zij heeft het echter te licht bevonden, om het in de groote lichtlijn dier—mensch op te nemen, zoodat het ons tegenwoordig nog slechts aanstaart als eene gerimpelde reliquie uit den een of anderen hoek van een moeras

De man, en driewerf de man, is de held in het levensepos der stekeltjeswereld. De vrouw is daarin hoogstens slechts eene episode. De man is de vertegenwoordiger van de gansche geslachtsmoraal, die niet slechts als individu voor zich zelf leeft, doch als 't ware ook als burger eener hoogere gemeenschap, die als geslacht door de duizenden jaren loopt. De vrouw is daarnaast werkelijk niets anders dan eene zwervende Zigeunerin, die, zonder gewetensplichten, van den dag op den dag leeft. Daartoe moet trouwens in de groene diepten van het water een ingewikkelde roman zich afspelen.

In het temperament van den heer Stekelinsky ligt van nature een knorrige, aanmatigende, afgunstige trek. Hij is onvermoeid in het plukharen met zijnsgelijken en alleen als een roofvisch, die de stekels van het monster niet vreest of nog niet kent, in de nabijheid opduikt, wordt eene geheele bende van zulke vechtlustige Stekelinsky's door eene

Bölsche, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. 23

Sluiten