Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het zand, door kiezelsteentjes gesteund, en waarboven zich een rond gewelf van plantendeelen verheft. De muren groeien, terwijl de kleine bouwmeester (Stekelinsky is meestal nog geen 10 centimeters lang) de deelen, laag voor laag, als een ervaren metselaar, opstapelt en vastmetselt. De metselkalk heeft hij in zijn eigen lichaam ; als de ruwe laag los op elkaar ligt, strekt hij zijn lichaam daarover uit en scheidt een kleverig vocht af, dat de bestanddeelen onderling en met het fundament vast verbindt. Van tijd tot tijd, als een stuk van den muur van het gewelf gelukkig gereed is, stoot hij met geweld tegen zijn werk om te onderzoeken, of het door drukking niet instort. Of hij brengt door krachtige vinslagen het water erboven in golvende beweging, waardoor alle, nog niet geheel wand- en nagelvaste, deelen weer als los kaf opdwarrelen en aldus de leemten zichtbaar worden, waar hij nog cement aanbrengen moet.

De gansche arbeid is des te wonderbaarlijker, omdat de metselaar slechts een visch is, die geen handen bezit, doch slechts ruwe vinnen en die letterlijk met het geheele lichaam arbeidt, alles door samenvoegen, samendrukken, zwenken en dwarrelen tot één geheel vereenigt of hoogstens er de laatste „hand" aan legt met den bek, die in de kaken van eene zeer fijne rij fluweelachtige tanden voorzien is.

Uur na uur gaat zoo de onvermoeide arbeid van onzen kluizenaar voort. Voor den ruwen bouw zijn alleen vier uren noodig, voor de fijnere afwerking verscheidene dagen. Dan is eindelijk het kunstwerk gereed : het geheel is nu een sterk gewelf, ongeveer ter grootte van een vuist, van boven geheel gesloten, doch ter zijde met eene opening, die juist groot genoeg is, om een stekeltje door te laten. Dikwijls wordt er ten slotte nog slib of zand over het bouwwerk uitgestrooid, zoodat er behalve die opening niets van te zien is.

Stekelinsky heeft niet alleen voor zichzelven gebouwd. Zijn doel was geenszins het bouwen van eene kluizenaarshut. In hem is die raadselachtige neiging ontwaakt, die duistere

Sluiten