Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen" werden. Daarvoor moeten bepaalde afzonderlijke oorzaken in de ontwikkelingsreeks bestaan hebben. Maar juist hij, die tegenwoordig een weinig in de Darwinistische denkbeelden oppervlakkig is doorgedrongen, is dikwijls geneigd, om bij zulk eene ontwikkeling van „toevalligheden", als van iets absoluuts te spreken. Ach, het stukje buigzame beenmaterie of zenuwmassa, of het eindje van eene andere ademhalingsmethode of wat overigens de menschwording naar deze, in plaats van naar die richting, gedreven heeft, — toeval! En als dat nietigste vonkje toeval er niet geweest ware, dan hadden wij hierboven een geheel ander vuurwerk aanschouwd !

Wat echter is de waarheid? Ten slotte had toch alles weer ingehaald moeten worden en de uitkomst zou toch dezelfde geweest zijn. Het „toeval" zou, als het anders uitgevallen ware, niet den eigenlijken groot en loop gewijzigd, doch slechts, als in den kaleidoscoop, zekere verschuivingen van de volgorde teweeggebracht hebben.

Gij begrijpt mij goed, niet waar; juist zulk eene uiterst verschillende voorstelling der dingen als in het voorbeeld van den stekelbaars, wel verre van den bodem onzer menschelijke cultuurveroveringen onder onze voeten te doen wankelen, maakt hem integendeel eerst volkomen vast. Het bewustzijn ziet het onwankelbare, het onveranderlijk logische „omhoog", nu eerst volkomen zeker en onvernietigbaar, achter alle mogelijke standen van den kaleidoscoop der uiterlijke processen en „toevalligheden". Slechts in één opzicht komt gij natuurlijk te kort. Als gij, in plaats van bij ontwikkeling in het algemeen te zweren, u vast blijft klampen aan eenigen uiterlijken vorm van zedeleer, aan een moraliteitsbegrip van de, achter ons liggende, baan der menschelijke beschaving en gij hier met geweld het zegel der absolute „wereldorde", in den zin van een blijvend verankeren, zoekt.

Bölsche, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. 24

Sluiten