Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De vrouw. Te vergeefs zoekt gij in den geheelen korf naar eene tweede van hare soort.

Op twintigduizend, tot kuischheid gedwongen Vestaalsche maagden en tweehonderd echte mannen — ééne enkele echte vrouw.

Alles wat gij in den stam aan nakomelingschap hebt zien opgroeien, al de jonge Vestaalschen, die eikaars plaats innemen . dat alles stamde uitsluitend af van deze enkele, nietVestaalsche, deze enkele echte vrouw, deze ééne en eenige moeder. Terwijl de arme, onvruchtbare maagden om haar heen, ten getale van duizend en duizend en nogmaals duizend, komen en gaan, als de bladeren aan een boom, zoo zit zij daar nu reeds sedert het voorjaar, in haar krachtig bestaan en zwellend in hare vrouwelijke kracht, altijd en immer dezelfde en legt eieren, steeds weer eieren, ontelbare eieren. Duizend, tweeduizend, vijftigduizend, zestigduizend eieren in ééne lente en zomer. Van eene persoonlijke verpleging der jongen kan, bij zulk eene productie „als het zand der zee", geen sprake zijn. Maar dat doen dan ook de Vestaalschen, geslacht na geslacht, met aandoenlijke zorg in hare plaats. Zij behoeft slechts eieren te leggen en zich te laten voederen, opdat de kracht haar niet begeve — al het andere marcheert van zelf als een automaat.

Ja, voederen ! Het leggen der eieren is zeer zeker op zich zelf inspannend genoeg en vereischt eene goede voeding in de, permament verklaarde, kraamkamer van mevrouw de koningin. Maar gij weet, dat het woordje voedering in de liefde nog eene zeer bijzondere beteekenis heeft. Opdat een nieuw wezen ontsta, eischt elk vrouwelijk ei, zooals gij althans tot nogtoe als regel gezien hebt, nog een zeer eigenaardig bijzonder voedsel: en wel eene mannelijke zaadcel. En aan dezen geheimzinnigen maaltijd kan slechts één proces ons helpen: de bevruchting.

Welnu, daarvoor hebt gij dan ook vroeger reeds de tweehonderd mannen in den Staat ontdekt. Tweehonderd voor één enkel wijfje zullen toch wel voldoende zijn. Onwille-

Sluiten