Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijtjes uit. Maar, o gruwel! Door de onvoldoende voeding waren zij in ontwikkeling teruggebleven en hadden geene, voor bevruchting vatbare, geslachtsdeelen. Voor eeuwig waren zij van de eigene huwelijksliefde verstoken. Daar zaten zij nu, de arme maagdelijns. Waar moesten zij heen ? Maar daar zien zij de oude moeder, die nog bakerkinderen in menigte heeft liggen en zich afjakkert om die te helpen. Zij droegen dus ook voedsel aan. Hetzij alleen uit navolging, hetzij dat ook in haar binnenste het moederlijk gevoel ontwaakte, hoewel het niet hare kinderen waren. Genoeg : zij ontlastten de oude en door haar groot aantal leverden zij krachtdadige hulp, zoodat ten slotte, behalve nog vele onvolledige, toch ook weer een voldoend aantal geslachtsrijpe bijtjes opgroeiden, waardoor het voortbestaan van de soort verzekerd was. Het is waar: van hier tot den volledigen „bijenstaat" is de afstand nog groot, maar gij begrijpt toch, hoe deze op den langen duur eruit worden kon en althans, hoe het „tweeërlei" van zich voortplantende koningin en alleen verplegende arbeidster oorspronkelijk m o g e 1 ij k werd.

Zeer interessant is het, dat ik u daarbij maar niet op goed geluk iets op de mouw speld. Bij verwanten van de bij, die wel in groote families, maar nog lang niet in zulke reusachtige staten leven — bij hommels en vooral wespen — treft gij tegenwoordig nog zekere trappen van het genoemde ontwikkelingsproces, weer eens als 't ware levend versteend, aan, — dat is : nog tegenwoordig algemeen als normalen toestand in gebruik. Gij ziet dan een volkomen ontwikkeld, echt wespenwijfje, vergelijkbaar met eene bijenkoningin, dat in den herfst door een man bevrucht is en toen alleen den winter is overgebleven. In de lente legt het eene eerste laag eieren, er ontstaan larfjes en de oude voert ze zoo goed mogelijk. Natuurlijk bij zulk eene massa gebrekkig. Er ontstaan uit de eieren nieuwe wijfjes, die echter, althans in de grootte, reeds iets onvolledigs hebben. Deze kleine eerstgeboren wijfjes, in dezen tijd ver van alle darren, komen niet tot de bevruchting, daarentegen nemen

Sluiten