Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORBERICHT.

In den 2'" jaargang van het Vaktijdschrift voor Onderwijzers (bl. 98 v.v.) schreef de heer G. C. van 't Hoog over „Handleidingen" o.a. het volgende:

„Ik zie in schoolmeesters, bouwmeesters.

Waar zijn de bestekken en teekeningen?

.... Ze staan in de boekenkasten en vormen plankenvol dikke boeken in plaats van een portefeuille met teekeningen en wat dunne boekskens ter aanvulling en toelichting. Ze staan in de kasten dik-pedant en pedant-dik en vormen eenige planken lektuur van de minst aantrekkelijke soort. De veronderstelling is zeker niet gewaagd, dat er met my velen zullen zijn, die, hoeveel lust en liefde zjj ook voelen voor het onderwijs, ja misschien juist, omdat zij die voelen, er altijd tegen opzagen, om zich tot het bestudeeren van bovenbedoelde literatuur te zetten. Niet, dat er niet véél, zeer veel interessants in die boeken is, . - maar — omdat zij zoo langdradig zijn . . . Omdat zjj iemand doemen willen tot niets doen, want zij willen alles doen. Die boeken zijn als onderwijzers, die maar steeds doorpraten of zeuren of rammelen — en die altijd schijnen uit te gaan van de onderstelling, dat zij redeneeren tot een publiek, dat van toeten noch blazen weet.

In de meeste handleidingen vindt men theoretische inleidingen vol zielkunde en paedagogiek . . . uiteenzettingen van allerlei aard over des schrijvers paedagogische inzichten — proeflessen, tot in vragen en antwoorden uitgewerkt, met

Sluiten