Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET TWEEDE LEERJAAR.

§ (». Was in het eerste leerjaar ter opmerking van het aantal aanschouwelijke behandeling der hoeveelheden hoofdzaak , zoodat de rekenkundige leerstof gekarakteriseerd kan worden als „oefening in hot rekenkundig zien", in dit leerjaar wordt met behulp van de reeds verkregen getal-begrippen de getallenkring uitgebreid, zoodat de aanschouwing slechts steun is, d. w. z. de aanschouwelijke behandeling daalt tot inleiding. Deze uitbreiding geschiedt om de leerlingen te oefenen in de samenstelling en ontbinding der getallen, waarbij het natuurlijk zaak is, te zorgen, dat de leerlingen deze samenstellingen en ontbindingen zoo spoedig mogelijk op de gebruikelijke wijze (d. w. z. als -cijfer bewerkingen) verrichten. De aanschouwelijke inleiding voert dus tot cijferen, maar over het hoofdrekenen, zoodat dit tusschen de aanschouwelijke inleiding en het cijferen ligt. Om de plaats, die het hoofdrekenen op deze wijze inneemt, te motiveeren, moet echter eerst het begrip hoofdrekenen omschreven worden. Taak nu geschiedt dit als uit het hoofd beantwoorden van rekenkundige vragen, maar deze omschrijving is niet juist. Wie b. v. 56 + 32 berekent, door deze getallen in gedachten onder elkander te plaatsen en ze dan samentelt, door te zeggen 2 + 6 = 8, 3 + 5 = 8, dus de som = 88, die heeft wel de som dier getallen bepaald, zonder hulpmiddelen te bezigen, die heeft wel uit het hoofd gerekend, maar hij hoofdrekende niet; door hoofdrekenen moet n.1. verstaan worden rekenen op andere manieren dan bij cijferen gebruikelijk is. Wie b. v. 12^ x 72 berekent door te zeggen 12£ x 72 = £ x 100 x 72 = £ x 7200 = 900, die is bezig met hoofdrekenen, evenals hij, die 7 X 96 berekent, door

Sluiten