Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat zij herleidingen eischen, die pas mogelijk zijn na behandeling der deeling »).

Behalve deze opgaven voor de tijdrekening behoort het rekenonderwijs in dit leerjaar ook de Romeinsche getallen tot honderd te leeren kennen; tot twaalf toch zijn ze reeds bekend (uit de behandeling der klok bij het aanschouwingsof zaakonderwijs in het eerste leerjaar) en dan kost het weinig moeite, deze kennis aan te vullen. Zij worden echter pas na de optelling en aftrekking aan de orde gesteld, èn omdat het middelen zijn, om de getallen anders voor te stellen (daarom na de telling), èn omdat dit voorstellen vermeerdering en vermindering der getallen eischt. Verder zij het volkomeD waar, dat kennis der Romeinsche getallen van ondergeschikt belang is (ze komen slechts voor op uurwerken, in opschriften van monumenten, enz.), maar het is toch wel gewenscht, dat de leerling die bezit. Wanneer toch later (in het derde leerjaar) de omgeving uit aardrijkskundig oogpunt beschouwd wordt, ontmoeten de leerlingen ze; dan moeten ze die dus leeren ontcijferen , en beter dan ze op dat oogenblik ter loops te bespreken, is het, ze geleidelijk onder hun aandacht te brengen. Na het leeren kennen der teekens voor den getallenkring tot honderd, n.1. I, V, X, L en C is het nog noodig, hen er op te wijzen:

1' dat oen cijfer van kleinere waarde, links (rechts) naast een van grooter waarde geplaatst, daarvan moet afgetrokken worden (daarbij moet worden geteld) b.v. IV (4) en VI (6), IX (9) en XI C1!), IL (49) en LI (51), IC (99) en Cl (101), enz.'

') Het spreekt van zelf, dat ook in de volgende leerjaren opgaven omtrent de tijdrekening gegeven worden, echter geheel in den trant als deze, zoodat verdere aanwjjzing achterwege kan bljjven.

Sluiten