Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze deelingen worden echter alleen als verhoudingsdeelingen behandeld, om den breukencursus het inleidend karakter niet te ontnemen.

VIII. Tiendeelige breuken.

Als de leerlingen eenigszins met breuken hebben leeren werken, is het pas tijd, breuken te leeren kennen, welker noemer 10, 100, 1000, enz. is, waarna dadelijk de schrijfwijze dier breuken behandeld wordt. Omdat zonder de tiendeelige breuken in verband met de geheele getallen te brengen, de behandeling dier schrijfwijze weinig waarde heeft, wordt zoo spoedig mogelijk dit verband aan de orde gesteld.

Eerst wordt daartoe het beginsel, bij het schrijven der geheele getallen gevonden, herhaald, zoodat bij den aanvang der les de leerlingen goed weten, dat een cijfer, door het een plaats meer naar links te geven, 10 x zoo groote waarde, door het een plaats meer naar rechts te geven, daarentegen 10 x zoo kleine waarde krijgt.

Dan worden de leerlingen voor de vraag gesteld, hoeveel 32 geheelen en 1 tiende bedraagt. Het antwoord luidt natuurlijk: „32 geh. + 1 tiende." Hoe echter deze uitkomst als één getal te schrijven? Als 321 gaat niet, wijl er dan 321 geheelen zijn, er moet dus een scheiding gemaakt worden tusschen de geheelen en de tienden, b.v. aldus

32 1 16 2.

Op het lastige dier streep wordt gewezen en thans medegedeeld , dat in plaats dier streep een teeken (decimaalteeken n.1.,) gekozen is, zoodat 32 geh. -f 1 tiende geschreven wordt als 32,1.

Sluiten