Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De deeling van decimale breuken houdt niet zoozeer verband met die van gewone breuken, als met die van geheele getallen; in de pradijk toch worden alle deelingen met tiendeelige getallen, geheel uitgewerkt, als waren het geheele getallen, en daarom moet, zonder de grondigheid van het inzicht er onder te doen lijden, het rekenonderwijs de bewerking zoo spoedig mogelijk met die in de practijk doen overeenkomen. De gang voor de deeling van tiendeelige breuken komt dan ook weinig of niet overeen met die voor de deeling van gewone breuken; de moeilijkheden liggen trouwens in de meerdere of mindere overeenkomst met de geheele getallen, zoodat er feitelijk slechts twee gevallen zijn, n.1. dat, waarin de deeler een geheel getal, en dat, waarin de deeler een tiendeelig getal is. Is de deeler een geheel getal, dan liggen nog moeilijkheden in de herleiding, die het deeltal ondergaat (n.1. tot tienden, honderdsten, duizendsten, enz.). Het geval, waarin het deeltal uit zooveel tienden (honderdsten, enz.) bestaat, dat herleiding niet noodig is, gaat natuurlijk vooraf; daarop volgt dat, waarin een zeker aantal geheelen tot tienden (honderdsten, enz.) herleid moeten worden, en eindelijk dat, waarin een decimaal getal die herleiding heeft te ondergaan.

Is de deeler een decimaal getal, dan wordt dit tot een geheel getal herleid, waarmede dit geval teruggebracht is tot het vorige, alzoo geen verdere moeilijkheden meer bevat.

Op grond hiervan zal de volgende gang wel duidelijk zijn.

A. De deeler is een geheel getal.

M M M M M M 1. Zonder herleiding bv. 0,6 : 3; 0,08 : 4; 0,125 : 5.

Sluiten