Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen, dat een hoek met zijn nevenhoek 180° bevat, dat overstaande hoeken even groot zijn, en eindelijk, dat de hoeken van een reehthoekigen (seherphoekigen, stomphoekigen) driehoek 180 graden bevatten (te constateeren, dooide hoeken naast elkander te leggen). Deze waarheden vinden onmiddellijk toepassing bij den gelijkbeenigen (gelijkzijdigen) driehoek. Door n.1. een gegeven gelijkbeenigen driehoek langs de hoogtelijn om te vouwen, wordt gevonden, dat de hoogtelijn den tophoek en de basis middendoor deelt en dat de basishoeken gelijk zijn.

Het parallelogram is de eerste nieuwe figuur, die behandeld wordt. Daarbij wordt opgemerkt, dat de zijden 2 aan 2 evenwijdig loopen, dat de overstaande zij don even lang zijn, dat de overstaande hoeken even groot zijn en een hoek met een aanliggende 180 graden bedraagt, dat een hoeklijn het parallelogram in twee driehoeken verdeelt, die elkaar geheel bedekken, terwijl eindelijk de oppervlakte bepaald wordt, door het te veranderen in een rechthoek, welks afmetingen gelijk zijn aan basis en hoogte van het parallelogram.

Dan wordt van de vlakke figuren de cirkel beschouwd (omtrek, straal, middellijn, verdeeling van den omtrek in 360 graden, halve cirkel, quadrant, sector, segment, beschrijven van vierkant, zeshoek, driehoek in den cirkel). Hierbij is het echter alleen het doel, met den cirkel kennis te maken, en wordt slechts onder woorden gebracht, wat den leerlingen door ervaring al lang bekend is.

De inhoudsberekening van kube en zuil geschiedt met grootere getallen, terwijl ook het omgekeerde aan de orde gesteld wordt en wel, allereerst de berekening der hoogte uit grondvlak en inhoud, dan die van lengte (breedte) uit

8*

Sluiten