Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

versching in schoollokalen (3 x per uur wordt deze in gunstige omstandigheden ververseht), de ademhaling (verhouding tusschen uitgeademde lucht en longenlucht bij diepe en minder diepe ademhaling), enz. enz., bij welke onderwerpen het rekenen steeds dient, om het verkregen inzicht te verhelderen 1). Uit deze enkele voorbeelden zal wel duidelijk zijn, dat het rekenen aanhoudend in verband treedt met de andere leervakken, zoodat de opgedane rekenkundige kennis middel wordt, om de leervakken beter aan hun doel te laten beantwoorden; het werken met getallen , die betrekking hebben op zekere leerstof, geeft leven aan de vage termen: veel, Aveinig, groot, klein, enz . . . ; het geeft algemeenheden een concreten inhoud. Kan echter dit rekenen in dienst der andere leervakken (het historisch, aardrijkskundig of natuurkundig rekenen) bij het aanleeren eener rekenkundige bewerking of rekenwijze „uitgangspunt" zijn? Om deze vraag te beantwoorden, zij slechts opgemerkt, dat dit rekenen beoogt, aanwezige kennis te verhelderen ; geeft alzoo zekere leerstof aanleiding tot rekenen, dan moeten de leerlingen de noodige rekenbewerkingen kunnen verrichten, of — het beoogde doel wordt niet bereikt. Wel behoort bij het aanleeren van een rekenkundige bewerking uitgegaan te worden van voorbeelden uit het ervarings- of leergebied der leerlingen, maar als het rekenen dienen moet, om zekere leerstof beter tot haar recht te doen komen, moeten de noodige rekenkundige bewerkingen, hier ^^bewerkingen, bekend zijn. Zoo b.v. de onderwijzer den stoffelijken vooruitgang (achteruit-

') A gl. vooral de Handleiding bjj het Onderwjjs in de Kennis der Levenlooze Natuur van den Heer V. n. Ley.

Sluiten