Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berusten op behandelde rekenkundige leerstof, maar met het oog op de verstandelijke vorming is het de vraag, of de leerlingen door het rekenonderwijs ook problemen van anderen aard (uit andere wetenschappen) leeren opmerken. Nu is een probleem in het algemeen van tweeërlei aard: het kan vragen naar de toepassing van een bekende algemeene waarheid of naar die algemeene waarheid zelve. Die der eerste soort worden opgemerkt, zoo de algemeene waarheden bekend zijn; die der tweede soort, zoo de wet der causaliteit bekend is. Is dus het opmerken der eerste problemen alleen afhankelijk van de algemeene waarheden zelve, dat der tweede is, onverschillig tot welk vak ze behooren, het gevolg van het beginsel: pniets geschiedt zonder oorzaak". Wijl nu de rekenkunde geen algemeene waarheden opspoort, maar er mede werkt, behooren rekenkundige problemen steeds tot de problemen der eerste soort, d. w. z. het opmerken van rekenkundige problemen herhaalt sleehts rekenkundige algemeene waarheden, zoodat het rekenonderwijs geen waarde heeft voor het opmerken van andere dan rekenkundige problemen.

Intusschen, de verstandelijke vorming omvat niet slechts het opmerken, ook het oplossen van problemen. Hierbij nu worden de door het probleem gewekte voorstellingen (begrippen) tot oordeelen (besluiten) verbonden, zoodat het de vraag is, of het vormen van rekenkundige oordeelen (besluiten), waarop de oplossing van een rekenkundig probleem neerkomt, ook waarde heeft voor het vormen van andere oordeelen. Om deze vraag te beantwoorden, zij opgemerkt, dat het rekenkundig probleem voorstellingen (begrippen) wekt, d. w. z. in zekere cellen der hersenschors veranderingen bewerkt, die niet locaal blijven, maar zich

Sluiten