Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekenonderwijs in het vijfde en zesde leerjaar te zijn. Dat voor het vijfde leerjaar behoort in te houden: „toepassingen van de hoofdbewerkingen met geheele en gebroken getallen" en, al zal dit rekenboek in dat leerjaar niet geheel doorgewerkt kunnen worden, dit is geen bezwaar. In het zesde leerjaar toch wordt dadelijk aangevangen met het op bord behandelen der voor dat leerjaar uitgetrokken stof en gedurende dien tijd kan het ontbrekende uit het rekenboek voor het vijfde leerjaar gemaakt worden, waardoor tevens verkregen is, dat het rekenen uit het rekenboek het rekenen op bord steeds volgt.

Dit hoofdelijk rekenen heeft echter bezwaren. Zoo heeft elke leerling andere vraagstukken ter correctie, zoodat deze meer van den onderwijzer eischt, maar, wijl het rekenen uit het rekenboek slechts een deel is van het geheele rekenonderwijs, zal de vergrooting niet zoo aanzienlijk zijn, of met een weinig goeden wil is er in te voorzien. Verder zal de onderwijzer in het reken-uur bij zeer verschillende vraagstukken hulp moeten bieden, maar daar staat tegenover, dat die hulp bij hoofdelijk rekenen bijna geheel ten goede komt aan de zwakke rekenaars (bij de vlugge volstaat een opmerking), bij hen dus, die anders slechts te vaak overgeslagen moeten worden, terwijl in doorsnede die hulp niet zoo heel groot kan zijn, wijl ze zich bepaalt tot de redeneering. Dit neemt echter niet weg, dat ze noodig zal blijken, en nu kan ze den leerling op twee wijzen verstrekt worden, n.1. synthetisch en analytisch. Welke wijze de meeste aanbeveling verdient, blijkt het best, door eenzelfde vraagstuk op beide wijzen te bespreken. Heeft de leerling dan b.v. moeite met het vraagstuk: „A. kan een weg van 7,02 K.M. in 1,3 uur afleggen. Als

Sluiten