Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorming dit eischt. Als toch (le leerstof geleidelijk voortschrijdt, het nieuwe steeds uit het bekende afgeleid wordt, gelegenheid geboden wordt tot vrije ontvouwing der rekenkundige gaven, de zwakken steunende en allen steeds voorbereidende tot zelfstandigen arbeid, wordt niet te veel van de krachten der leerlingen geeischt, en moet „voorde jeugd van rekenkundige problemen dezelfde bekoring uitgaan, als ouderen van dagen vinden in kaart- en dominospel" (den Hkrtog).

§ 25. De voor de lagere school gekozen rekenkundige leerstof moet echter niet alleen waarde hebben voor de verstandelijke vorming, ze moet ook bijdragen tot de „opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden", een bijdrage, die in het algemeen indirect of direct werkt. De indirecte werking van zekere leerstof bestaat in het wekken van intellectueele en aesthetische lustgevoelens; wijl echter bij rekenen van de laatste weinig of geen sprake kan zijn , behoeft slechts de waarde van intellectueele lustgevoelens nagegaan te worden. Wie nu „zijn genoegen vindt in het opmerken en oplossen van rekenkundige problemen", heeft minder kans, uit ledigheid tot kwaad doen te vervallen, dan hij, die dit genoegen mist, en nu moge het waar zijn, dat deze voorbehoedende invloed uitgeoefend wordt door elke kennis, waarin de mensch genoegen vindt, waar rekenen in hooge mate den lust der leerlingen wekt, daar heeft rekenen zeer zeker een sterken invloed tot afhouden van het kwade. Daarenboven, hij, die ontwikkelend rekenonderwijs ontvangt, zal later gemakkelijker het logische of onlogische eener bewering inzien, zich minder spoedig door holle theorieën laten medesleepen; zijn „logische zin" is gescherpt. Eindelijk, door ontwikkelend re-

Sluiten