Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE

Het ontstaan der Geloofsbelijdenis. 1559—1561.

„Ik geloof in God den Vader, en in God den Zoon, en in God den Heiligen Geest".

Zoo luidde de geloofsbelydenis, die Christus zelf den Christenen op de lippen legde.

Door de apostelen wellicht, door hun leerlingen „de apostolische vaderen" en door kerkvaders en -leeraars werd de geloofsleus der doopformule in den loop der tijden uitgebreid tot het Symbolum apostolicum, de Apostolische geloofsbelijdenis van de twaalf artikelen des algemeenen en ongetwijfelden Christeljjken geloofs.

Daarbenevens ontstonden in de tweede, derde en vierde eeuw onzer jaartelling tal van minder algemeene confessies, ontworpen door kerkleeraars, kerken, en kerkvergaderingen. Achter oude psalmboeken vindt ge afgedrukt de belijdenis van het concilie van Nicea van 325, en die „van den heiligen Athanasius, bisschop van Alexandrië," vervaardigd in 333.

Het anti christendom der middeleeuwen zette zoowel de kaars des Woords als het Jicht van „de»herhalingen der Heilige Schrift" onder de korenmaat.

De nacht der „donkere eeuwen" ging voort en werd duisterder nog. Petrus Waldus en de Waldenzen, de

GELOOFSBELIJDENIS.

HOOFDSTUK I.

Sluiten