Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhooren. Deze commissie rapporteerde dato 2 November 1561 aan de Hertogin:

„Mevrouw! heden is bij het openen der poort van het kasteel een zeker gesloten en verzegeld pakje gevonden, dat men binnen de eerste afsluiting geworpen had; waarin een lang geschrift was, geadresseerd aan ons of bij onze afwezigheid aan die van de stad, vervaardigd uit naam van de burgers en inwoners dezer stad, bevattende hun klachten over de vervolgingen, die om het geloof van Jezus Christus (gelijk zij zeggen) tegenwoordig geschieden, .. . zeggende dat zij geen verstoorders der openbare rust noch rebellen tegen de vorsten zijn,... en opdat wjj zouden weten de zuiverheid hunner leer, boden zij ons het hierbij ingesloten boeksken aan, bevattende hun belijdenis, die zij zeggen dat meer dan de helft dezer stad met een gemeen accoord ons aanbieden, waarmede meer dan honderd duizend mannen in den lande instemmen".

Een „lang geschrift" en een „boeksken", een apologie en een confessie, werden aldus der Overheid voor de voeten geworpen. Doch de naam van schrijver of schryvers stond in opschrift noch onderschrift.

Er was natuurlijk den commissarissen alles aan gelegen, den schuldige of de schuldigen bij name te kennen, en van zijn persoon of van hun personen zich te verzekeren. Weldra werd de Bres genoemd, als oude bekende herkend, en ijverig gezocht, lleeds veertien dagen na het werpen der geschriften over den kasteelmuur, in het verhoor van een zekeren Gilles d'Espringalles, gaan de commissarissen in hun ondervragen van de Bres' auteurschap uit. Het lag trouwens voor de hand, in den prediker den schrijver te vermoeden.

Sluiten