Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele Zuid-Nederlandsche martelaars, vooral uit Doornik en omstreken, zal wel door de Bres bewerkt zijn. Want de inzage der origineele processtukken, in het rijksarchief te Brussel berustende, bewijst dat Crespin over hen zeer volledig, dus door een Zuid-Nederlander en ooggetuige, is ingelicht.

De levensbeschrijving van de Bres zeiven, en het verhaal van de opstelling der Confessie door de Gereformeerden, beiden voorkomendo in het martelaarsboek, dat Crespin mede met hulp van de Bres vervaardigde, maken met geen enkel woord van de Bres' auteurschap der Geloofsbelijdenis melding. We treffen liier een bescheidenheid aan, die hoogst bevreemdend moet worden genoemd.

En wijl ook 's man brieven, van uit den kerker aan zijn vrouw en moeder geschreven, van geen Confessie melding maken, komen we tot dit negatieve resultaat:

Uit de Bros' geschriften worden wij niet het minste gewaar aangaande het ontstaan der Nederlandsche Geloofsbelijdenis.

Wat weten wij aangaande het ontstaan der Nederlandsche Geloofsbelijdenis uit de Belijdenis zelve?

Bevat de titel ook den naam van den schrijver? Gaat aan de Confessie een met een persoons- en geslachtsnaam onderteekende Inleiding vooraf? Volgt er wellicht een evenzoo onderteekend slotwoord op de Confessie?

Natuurljjk raadplegen wij hier slechts de eerste Fransche uitgave van 1561, en den eersten Nederlandschen druk van 1562.

Zooals men weet, is onze tijdgenoot, de heer Jonkheer

Sluiten