Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar veel meer waarschijnlijk is, dat hij in vroeger jaren door mondelinge samenspreking, of kort voor de uitgave door correspondentie, van de instemming der gemeentehoofden in Zuid-Nederland zich vergewist heeft. Dan alleen had hij volle recht om te spreken gelijk hij deed.

De brief van 1 November 1561 bewijst dus ontegenzeggelijk, dat de Bres zijn Confessie vóór de openbaarmaking aan het oordeel van anderen onderworpen heeft.

In de fransche uitgave staat op de keerzijde van het titelblad een „Sonnet" van veertien regels, koning en rechters herinnerend aan de latijnsche rechtspreuk: „Hoor ook de andere partij". Het versje is in de nederlandsclie editie vrij vertaald. Doch de dichter verzwijgt zelfs zijn initialen.

Nu volgt „een Epistre au Roy", waarboven staat: Les fideles qui sont és pays bas, qui desire viure selon la vraye reformation de 1'Euangile de nostre Seigneur Jesus Christ, au Roy Philippe leur souuerain seigneur. Dit model van classieke welsprekendheid, deze zielroerende klacht der verdrukten die geen trooster hebben, dit aangrijpend beroep op den mensch in den tyran, deze prachtige en krachtige apologie der kerk onder 't kruis, verdient in haar geheel door de kinderen der Reformatie ten onzent te worden gekend.

Reeds de aanhef teckent. „Ware het ons gegund, o Sire! ons voor uwe Majesteit te stellen, ten einde ons te verdedigen betrekkelijk de misdaden waarmede men ons belast en de billijkheid onzer zaak te toonen, wij zouden dit geheime middel niet zoeken om u de zuchting van uw volk te doen hooren door een stemmeloos request of geschreven Confessie. Maar wijl onze

2

Sluiten