Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerden te Genève aan 't einde van dat jaar getoond. Maar wijl ze door den auteur in de Fransche taal (omdat deze taal den Nederlandera en den meesten uit die streek óf moedertaal, óf althans zeer gemeenzaam was) opgesteld waren, gaven zij Saravia den raad, dat hij zoowel den auteur als de overige predikanten in Nederland vermanen zou, dat zij liever met de Fransche vaderen zouden overeenstemmen in de Belijdenis, die onlangs, namelijk den iyden Mei van datzelfde jaar, op de eerste Synode te Parijs ontworpen was. Saravia, korten tijd daarna in Nederland teruggekeerd, droeg aan den auteur, zoowel door de levende stem als door brieven, welke hij van die van Genève medebracht, den raad van Calvijn en diens andere ainbtgenooten voor. En de Bres hield deze artikelen terug tot het jaar 1561. Op raad van Godfried van Wingen, van wien ik reeds vroeger melding gemaakt heb (hoewel tegen den zin van Saravia, welke oordeelde dat men wederom die van Genève moest raadplegen) zond hij toen dezelfde artikelen aan de Kerk te Embden. In haar leefde Coruelius Cooltuyn, van Wingen's vriend. Deze heeft ze met eenige weinigen zijner ambtgenooten (omdat hij dacht, dat niet alle bijzondere predikanten de stellingen, als een bepaald formulier van overeenstemming van meerdere [Nederlandsche] natiën, zouden goed vinden) beoordeeld en goedgekeurd. Later zijn ze gezonden aan verschillende predikanten in Nederland, insgelijks aan de predikanten van Metz, die ik reeds vroeger vermeld heb, ook naar Frankendaal aan Petrus Dathenus en Caspar van der Heiden, gelijk ook naar Frankfort aan Yalerandus Pollanus, benevens aan de predikanten der Nederlandsche Kerk te Londen, alsmede aan de hoofden

Sluiten