is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorzienige hand den jeugdigen Franschman Johannes Calvijn naar Geneve. Farel drong, ja dwong hem, in de aloude bisschopsstad te blijven. En weldra bleek, dat een rustige geest van heilzame wettelijkheid in de nieuwo evangelische kerk intrek genomen had. De jonge theoloog, die welhaast de hoogste autoriteit bezat, vervaardigde al ras zijn „Instruction", een soort catechismus schoon niet in vragen en antwoorden, tot leering der burgerij over het evangelisch geloof. Als uittreksel uit dit geschrift volgde de eerste geneefsche geloofsbelijdenis van 1536 in 21 artikelen, confessio genevensis, welke spoedig tot godsdienstige staatsgrondwet der republiek verheven werd *). De calvijnsche geest blijkt uit den nadruk, waarmee gehoorzaamheid jegens Gods Wet geeischt en de excommunicatie als noodig en heilzaam bevolen wordt. Op voorgang van Beza kende men vroeger het vaderschap dezer confessie gewoonlijk aan Calvijn toe. De meeste nieuwere schrijvers noemen

Farel als auteur.

10 November 1536 werd deze belijdenis door Farel en Calvijn aan den magistraat overhandigd, en door den grooten raad goedgekeurd. Doch eerst den 27'u" April van 't volgende jaar nam de raad het besluit, haar in do fransche taal in 1500 exemplaren te doen drukken, en haar, evenals te Bazel, door de burgerij in groepen van tien mannen te doen bezweren.

Na de verdrijving en terugkeer der predikanten en de nieuwe orde van zaken sedert 1541 is zij wel niet bij senaatsbesluit afgeschaft, maar toch niet meer in open-

1) Deze confessie wordt zoowel door Muller als in liet Corpus reformatoruui behandeld.