Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang zij nog stand hield sinds de belijdenis van de Bres opkwam, meldt Schoockius niet. Wellicht was zij, door handelsbetrekkingen, het meest bekend in Antwerpen en Vlaanderen, en weinig of niet bekend in meer zuidelijk gelegen plaatsen als Armentiers. En wijl de geschiedenis geen sprongen maakt, zal zij niet eensklaps, maar geleidelijk sinds 1561 van haar invloed beroofd zijn door het geesteskind van de Bres Welke belijdenis de synode van Armentières twee jaar later bedoelde, is dus onzeker. De londensche confessie van 1551 van è, Lasco kan bebedoeld zijn. Doch waarschijnlijk is dit niet, want van haar opgang in de Zeventien Gewesten viel niet veel te bespeuren.

Ook de fransche belijdenis komt hier in aanmerking. De naar menschen oordeel te vroeg ontslapen hooggeleerde H. G. Kleyn vestigde in dit verband op haar de aandacht in een kort artikel, „De Aanneming der Nederlandsche Confessie als formulier van Eenheid ' 1-). Professor Kleyn stelt voorop, dat de geschiedenis van de aanneming der Confessio Belgica in duisternis schuilt, om wellicht nooit op te klaren. En wil, dat men velerlei in 't oog houde. Vooreerst dat de „Confession" van Guido de Bres niet een kerkelijk, gelijk de Gallicana, maar een staatkundig doel had. Voorts, dat de getuigenissen, die wij daarover bezitten, vóór 1568 uitsluitend betrekking hebben op de ivaalsclie kerken der Zuidelijke Nederlanden. Het is twijfelachtig, of zij zelfs daar wettig kerkelijk gezag had. En dan, dat het artikel der Synode van Armentiers van 1563, waarop men zich beroept, „la Confession dc foy arrestée entre nous", evenals vele andere artikelen letterlijk overgenomen is uit de fransche kerkenorde, „zoodat wij hier vermoedelijk ook

Sluiten