Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nederlandsche Gereformeerden behalve de augsburgsche en de fransche confessies niet nog een derde belijdenis, die in hun oog de eerste was, kenden. De belijdenis van de Brés was juist het struikelblok der vereeniging van Martinisten en Calvinisten. Zij stond niet van 1561 tot '66 in! het vergeetboek, om in 1566 eensklaps als banier der kerk te worden opgeheven.

„Signeront la Confession de foy arrestóe entre nous". Deze woorden der synode van Armentières van 1563 sluiten volgens den hoogleeraar Kist het bewjjs in zich, „dat do Nederlandsche Confessie, want geene andere kan hier bedoeld zijn, niet eerst in 1566. of 1565, als Formulier van Eenigheid, kerkelijk gezag verkregen heeft, gelijk tot hiertoe het algemeen gevoelen geweest is, maar dat zij reeds in 1563, als zoodanig, Synodaliter was erkend, en dat toen ook do onderteekening der Confessie, zelfs door Ouderlingen en Diakenen, werd ingevoerd. Hierdoor wordt bevestigd, war alleen Schoock berigt (de Can. Ultraj, p. 521): „De Belijdenis.... is in de waalsche taal, waarin zij het eerst door den auteur opgesteld was, in het jaar 1562 verbreid, en weldra in het volgend jaar, of 't jaar 1563, in de nederlandsche taal overgezet, is zij niet alleen over alle Kerken verbreid geworden, maar begon ooli sinds dien tijd een formulier van overeenstemming te zijn"; schoon hij de bronnen niet opgeeft, waaruit hij dit geput heeft 17). Volgens professor Kist dwaalde dus Ypeij, dio het getuigenis van Schoock in twijfel trok 1S), gelijk allen, die meenden dat de confessie, als formulier van eenigheid, eerst in 1566 te Antwerpen werd aangenomen, en haar onderteekening door do leeraren en anderen het eerst op de synode van Embden zou zijn ingevoerd, zoo als

Sluiten