Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zesde 48 artikelen na. Artikel 7 luidt: „De nieuwelingen, die in de Kerk in een ambt inkomen, met name de monniken en priesters, zullen niet tot het predikambt worden gekozen, zonder langdurige en naarstige onderzoeking en goedkeuring zoowel van hun leven als van hun leer". Artikel 9 schrijft voor: „De Dienaren die verkeerde leer onderwijzen, indien zij, na voldoende te zijn vermaand geworden, niet ophouden": insgelijks zij, die niet zullen gehoorzamen aan de heilige vermaningen, geput uit het Woord van God, die hun zullen gedaan worden door het Consistorie: •... zullen worden ontzet". Artikel 12 rekent ook tot de plichten der diakenen „in 't openbaar onderwijzen — „cathechiser" — overeenkomstig deu in de Kerk aagenomen vorm, „selon la forme reeeüe en l'Eglise". En artikel 20 draagt hun op „het examineeren der arme vreemdelingen, wat betreft hun geloof". Artikel 35 behelst de bepaling: „Degene die ketter of scheurmaker verklaard is in ééne Kerk, zal zoodanig ook verklaard zijn in de anderen, opdat men zich voor hem wachte". In al deze voorschriften komt, tot onze rechtmatige verwondering, de geloofsbelijdenis met geen woord voor.

De zevende synode, 21 November 1564 te Antwerpen vergaderd, maakt het in dit opzicht haast nog erger. Haar korte notulen roepen luide om een confessie als eenheidsteeken, en verklaren vrij stellig, dat ze tot dusver ontbreekt. Artikel 3 bepaalt: „Zooveel de dienaren geen middel hebben om dikwijls tezamen over de Christelijke leer te beraadslagen, tenzij op de Synode, dat telkenmale, dat men te dezer zake zal vergaderen, de Dienaren die er tegenwoordig zullen zijn, beurt om beurt iederen morgen en na den eten hebben te behandelen eenig ge-

Sluiten