Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Junius zelf, die ter synode tegenwoordig was, bevond zich toen nog niet in de Nederlanden, maar te Genève.

Heelt de herziening, de beroemde herziening der confessie in Mei '66, door Junius vermeld, dus niet reeds in '65 plaats gehad, een herziening, de eerste of de zooveelste, heeft ten jare 1565 ongetwijfeld haar beslag gehad. Het ware immers ongerijmd aan te nemen, dat de pinkstersynode van '65 amendeeriug der beljjdenis „bij den aanvang van iedere synode" voortaan ten regel verhief, en zelve dien regel ter zijde stelde. Aandachtige lezing van artikel 1 harer aanteekeningen wekt den indruk, dat deze kerkvergadering de belijdenis des geloofs, welbewust en eens voor al, op den voorgrond plaatste. Waarom ? „Om onze eenheid te betuigen", zegt zij zelve. De drang der tijden, de verbijsterende voorteekenen eener wanhopige worsteling' met de spaansche wereldmacht, eischten gebiedend aaneensluiting. Eerst, wilde men niet vervloeien onder andere onroomschen, eenheid onder alle Gereformeerden. Vervolgens, om hoog noodigen steun binnenslands maar vooral buitensland te verwerven, als welgesloten geheel samenbinding met andere Protestanten zoeken.

Tot beide doeleinden was de confessie het voor de hand liggend middel. De Gereformeerden om een gereformeerde geloofsbelijdenis scharen, dat was het middel tot vereeniging en tevens het verweermiddel tegen oplossing in andere protestantsche kerken. En met een gereformeerde belijdenis in de hand tot andere Protestanten komen, dat was een basis, een grondslag aanbieden, waarop men kon onderhandelen. Al wat ten jare 1565 gereformeerd dacht, moest wel de confessie als banier der waarheid omvatten en opheffen. Men

Sluiten