Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den 19den Augustus kwam het te Antwerpen tot een uitbarsting. De prachtige kathedraal werd het tooneel van den moedwil. Met groote furie, razernij en verwoedheid werd alles in stukken en ter neder gesmeten. Alle kerken, kloosters en godshuizen werden van beelden en sieraden beroofd. Men liep langs de straten, met brandende toortsen en waslicht uit de kerken, als dolle menschen roepende: Yive les Gueux, leve de Geuzen!

Als een loopend vuur verbreidde zich de vernieling over schier het geheele land. Alleen in Brabant en Vlaanderen werden in vier dagen meer dan vier honderd kerken geplunderd.

De eigenlijke beeldstormers waren weinig in getal. De verbonden edelen en de consistoriën hadden aan de baldadigheid geen deel. Ze was in hun oog een fout, geen misdrijf. Des te meer moeten wij thans de woede van het oogenblik niet verwarren met de heiligheid van het beginsel. Marnix van St.-Aldegonde schreef terecht over den beeldenstorm: „Sy (het volk) nooyt gedacht en hebben de overheit te verachten, maar alleenlyck door een onbedwongen ende vuerigen yver alle menschen te kennen geven, hoe hertelyck dat het hun leet was, alle die afgoderye die sy so menige jaren met groote lasteringe ende verachtinge des naems Godts gedreven hadden. Indien datter andere geweest zyn, die haer eigen selfs daerin gesocht hebben, die mach Godt de Heer oordeelen".

Nu volgden kortstondige voorspoed en geweldige tegenspoed der Geformeerden. In haar vrees voor de beeldstormers sloot de landvoogdes den 23sten Augustus een overeenkomst met de gedeputeerden der verbonden edelen. De openbare spreek zou, waar ze tot dusver plaats had. niet worden gestoord. Onder die voorwaarde zullen de edelen haar elders helpen beletten, en ontbinden zij het compromis. Aan deze acte van verzekering zou Filips, bij de tijding van den beeldenstorm,

Sluiten