Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ketters werden door oud en nieuw geloof gelijkelijk gehaat. En het Calvinisme gold beiden voor ketterij. Nu had Frederik III door zijn overgang tot het Calvinisme, door zijn calvinistische voortzetting der reformatie in zyn gebied, allermeest door het gesprek te Maulbronn, een theologisch dispuut, 10—15 April 1564 tusschen heidelbergsche gereformeerde, en wurtembergsche en zwabensche luthersche hoogleeraren en leeraren gehouden, den feilen afkeer der ultra-luthersche yveraars van zijn persoon en leer ten toppunt doen stijgen. Vorsten en theologen, roomsch en onroomsch verbonden zich tegen hem. De rijksdag te Augsburg van 1566 moest en zou zijn val aanschouwen.

De duitsche rijksdag dier dagen was de vergadering der rijksstanden tot berading en beslissing over keizer en rijk voorkomende aangelegenheden. De keizer als rijksopperhoofd, en bij diens ontstentenis de keurvorst van Mainz als aartskanselier, had de leiding der zaken in handen. De leden, die op de rijksdagen zitting en stem hadden, heeten de rijksstanden. Vooreerst de zeven keurvorsten, die in rang op den keizer volgden, en bij zijn leven zijn opvolger, roomsch koning betiteld, verkozen. Er waren destijds drie geestelijke keurvorsten, die Rome aanhingen, de aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen ; en vier wereldlijke keurvorsten, de paltsgraaf aan den Rijn, de hertog van Saksen, de markgraaf van Brandenburg en de koning van Boheme, waarvan de drie eerstgenoemden het Protestantisme voorstonden. Op de keurvorsten volgden in waardigheid de voornaamste vorsten. Voorts een breede bonte rij van geestelyke en wereldlijke hooge personages, aartsbisschoppen en bisschoppen, prelaten en abten, hertogen en graven, ridders en heeren, land-, mark- en burggraven en vertegenwoordigers der vrye rijkssteden. Een rijksdaglid van buitengewoon veel invloed was, vooral voorheen, 's pausen afgezant.

Sluiten