Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezen. Hij verzocht en verkreeg een korten bedenktijd. Zou Frederik zijn geloofsovertuiging prijsgeven? Of zou hij, als weleer de keurvorsten Frederik van Saksen en Herman van Keulen, keurwaarde en land verliezen?

Een kwartier later trad de keurvorst de vergaderzaal weder binnen, begeleid van zijn drie voornaamste raadsheeren, en van zijn geliefden zoon Johann Casimir, zijn geestelijken wapendrager, die hem den bijbel nadroeg 1). Zijn verdedigingsrede werd een ware geloofsrede. Na zijn klacht, dat hij betreffende de kloosters onverhoord veroordeeld wordt, herhaalt Frederik zijn woord van zoo even, „dat ik in gewetens- en geloofszaken slechts één heer erken, die een heer aller heeren en een koning aller koningen is. Het gaat niet om een teil vol vleesch, maar het betreft de ziel en haar zaligheid. Die heb ik van mijn Heere en Heiland Christus ontvangen, ben ook schuldig en bereid, die voor Hem te bewaren. Daarom kan ik uw keizerlijke Majesteit niet toestaan, dat zij, maar God, die haar geschapen heeft, daarover te gebieden hebbe. En wijl ik Calvijn's boeken nooit gelezen heb, gelijk ik met God en mjjn christelijk geweten ge-

1) Kluckhohn, a. a O., S. 237, schrijft in zijn tekst: „welke naar een algemeen verbreide overlevering op dezen gedenkwaardigen gang vader den bijbel zal hebben nagedragen". In zijn aanteekeningen evenwel herinnert hij, dat hij dit verhaal, Briefe Friedrich des Frommen, I, 661 ff., op meerdere gronden als onjuist aangeduid heeft, en het heeft zoeken to verklaren uit een verwisseling van den 14den en den 24sten Mei. Gillet, in v. Sybel's historische Zeitschrift XIX, 51—102, geeft op grondige en scherpzinnige wijs de vele verklaringen, die uit Frederik's brieven volgen. Hij vindt Kluckhohn's tegenwerpingen niet afdoende, en wil den liefelijken en reeds door de tijdgenooten met liefde vastgehouden trek uit het beeld van den 14den Mei niet laten uitwisschen. Kluckhohn, daar hij nóg een getuigenis aanhaalt voor de wijde verbreiding van het verhaal, schrijft zelf: „Die Sache ist jedenfalls zweifelhaft und ohne Bedeutung". Zoolang de geleerden het oneens zijn, wil ik het verhaal van den 14den Mei niet van een kenschetsenden trek ontdoen. Die nagedragen bijbel spreekt luide van den bijbelschen vorst en van zijn bijbelschen catechismus.

Sluiten