Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en op weerszijden hinken; maar dat zy het oor biede aan de bestendige bekenners der waarheid, die zich stellende in veelvoudige gevaarlijkheden, metterdaad betuigen, dat hun de religie tor harte gaat. Dat zij aanstelle een vrije samenspreking en synode ofte kerkelijke bijeenkomst, van geleerde en vreedzame lieden uit andere koninkrijken en landschappen, opdat de dwalingen en betooveringen der roomscho kerk verdreven zijnde, de eeuwige waarheid Gods aan de gansche wereld eindelijk verschyne. En dat in afwachting daarvan de openbare afgoderij der roomsche kerk uit het midden worde weggeruimd.

Onze smekelingen wekken voorts den keizer op,- in deze zaak niet naar do pauselijke conciliën te hooren, maar naar het eeuwig concilie Gods, namelijk Gods Woord, waarvan de canones of regels in de schriften der profeten en apostelen vervat zijn. Zij waarschuwen hem, niet naar de gunst van Spanje's koning of van Rome's paus, maar naar de gunst Gods te staan, die ook van de keizerlijke Majesteit in alle eerbiedigheid, achtervolgende zijn Woord, moet gediend worden. En zij ontraden hem ernstig, „een middelbane en middelwech" tusschen Gods en der menschen gunst te houden, opdat hij niet bevinde waarachtig te zijn, hetgeen men in een gemeen spreekwoord zegt, „dat die 't eender tijdt twee Hasen te ghelijck jaecht, gheen van beyden en vanght".

Ten slotte dringt de Smeekbrief nogmaals aan, dat het ambassaatschap of gezantschap (om hetwelk te verwerven wij aan uw keizerlijke Majesteit gezonden hebben „dit algemeyn Schrift, vervoecht bij desen onsen brief") moge afgevaardigd worden, of dat de keizer ernstig schrijve aan onzen Koning, zijn broeder, „die van sijns aerdtshalven vreemdt is van alle wreetheyt".

Gheschreven ende ghegheven in de Nederlanden, den eersten dach van April, int Jaer duysent vijf-hondert en ses-en-sestich.

Sluiten