Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vwe seer ootmoedighe Dienaers ende ghewhogen, tot Uwe Keyserlijcke Majesteit,

Alle, ende een yeghelijck der ghener, die begheeren van gantscher herten, te ghelooven ende te leven, nae 't Euangelie des Soons Godes.

Tot zoover de Smeekbrief. Hij is ten nauwste verbonden aan het Vertoog. Verzocht dit om een internationale synode, de Smeekbrief herhaalt dit verzoek, maar voegt om der tijden nood de bede om tusschenkomst bij koning Filips er aan toe. Beide geschriften hooren bijeen, stammen uit denzelfden kring, beoogen hetzelfde doel. Zij zullen wel meer dan waarschijnlijk denzelfden auteur gehad hebben. Droegen wij het vaderschap van het Vertoog aan Philips van Marnix heer van St. Aldegonde op, in dezen geleerden calvinistischen edelman zien wij ook den opsteller van den Smeekbrief. Eerst greep, in 1565, de gedachte aan een internationale synode hem aan, en ontwierp hij het Vertoog. Daarna in '66, toen de nood klom en Frederik III van de Palts het schild der verdrukten scheen te kunnen zijn, ontgleed aan zijn vlugge schrijfveder de Smeekbrief, met de bede om tusschenkomst bij den koning.

Dat Marnix schreef in den geest der zuid-nederlandsche kruissynoden, te Antwerpen in 1566 zoo veelvul dig gehouden, ligt in den aard der zaak. Of hij een ofticieele opdracht dienaangaande van hen ontvangen had, is niet meer uit te maken. Want de notulen dier kerkvergaderingen van 16 April 1566 tot 8 September '70 ontbreken. Maar Marnix schreef Vertoog en Smeekbrief namens de verdrukten. Het spreekt dus van zelf, dat hij met hun leidslieden zal hebben geraadpleegd over vorm en inhoud, wijze van verzending en van aanbieding. Straks zullen wij zien, dat de synoden zeiven met name de aanbieding bewerkstelligden.

Sluiten