Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. Daarbij verdient het opmerking, dat by voorbeeld Joh. Ens zijn boek over de formulieren van eenigheid en de liturgie noemde „Kort historisch berigt van de publieke Schriften Een letterlijke vertaling van het latijnsche publicum scriptum, in den Smeekbrief gebezigd.

Doch daar tegenover staat, dat „een publiek geschrift" ook destijds wel „een door den druk openbaargemaakt gesclnift" beteekende. En het Vertoog was gedrukt, misschien reeds in 1565, in ieder geval vóór 1 April '66. Want nog vóór April, gelijk we straks bespreken, zond keurvorst Frederik III een gedrukt exemplaar van het Vertoog aan koning Filips II van Spanje. Het Vertoog behoorde, naar wij vernamen, tot de „vermaanschriften", waarmede de onderdrukten in de Nederlanden tot hoveling en stedeling zich richtten.

Doch er is meer. Dr. van Langeraad brengt een beslissend argument voor zijn meening bij. In den aanhef van den Smeekbrief maken de verdrukten hun voornemen bekend, den raad en bijstand der keizerlijke Majesteit in te roepen. Zij spreken van „dit ons voornemen, d* welck wij haer, soo door dese corte Redene ende Vertooch [het Vertoog] aan liaer ghedaen, als by desen besonderen Brief fde Smeekbrief] te verstaen gheven' '). Zij gewagen dus slechts van Vertoog en Smeekbrief. En het Vertoog noemen zij straks een publiek geschrift, wijl het reeds in druk verschenen en onder het volk gestrooid was.

Uit Vertoog noch Smeekbrief valt dus te bewijzen, dat de belgische confessie mee naar Augsburg toog om den keizer aangeboden te worden. De confessie wordt slechts éénmaal terloops in het Vertoog genoemd. Ze gaat niet officieel als de derde in 't verbond ten rijks-

i) Van Toorenenbergen, a. w„ blz. Cl. „Hunc conatum nostrum, quem turn brevi har oratione rldetu inscripta, tuui vers privatis hisce literis exponimus" blz. L1X.

Sluiten