Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag. Trouwens, 't was den Nederlanders niet te doen om erkenning van hun geloof door de rijksvergadering. Hulp tegen Spanje, een gezantschap aan Filips, en een wereldsynode, ziedaar wat zij begeerden.

Dat niet drie — en dan als derde onze confessie — maar slechts twee geschriften den keizer ter hand gesteld zijn, blijkt zijdelings uit wat koning Filips II overkwam. De keurvorst Frederik III van de Palts heeft hem namelijk Vertoog en Smeekbrief reeds in het begin der maand April toegezonden. Dienaangaande schreef Dietrichstein, Maximiliaans afgezant te Madrid, den 4den Mei 156G aan den keizer: „Op een schrijven van den Koning aan den Paltsgraaf en de andere Keurvorsten en Vorsten wegens de werving van troepen in Duitschland, had de eerste onlangs geantwoord, en daarbij allerhande zaken wegens den godsdienst en de invoering van de Inquisitie in de Nederlanden opgehaald, en ook twee boekjes overgezonden, waarvan het eene zou betiteld zijn : Oracio fidelium Christi in Germania inf. sub Anti-Christi jugo existencium ad Max. Caes. [De latijnsche titel van het Vertoog.] Het moet den Koning niet weinig vreemd voorgekomen zijn". De lezer geniete van het vermakelijk oud-duitsch in onze aanteekening').

Onze nederlandsche belijdenis des geloofs maakte dus in 1566 niet in dien zin de reis naar Augsburg mee, dilt zy openlijk en officieel en opzettelijk aan den rijksdag aldaar aangeboden werd. Te bewezen is zulks al-

') M. Koch, Quellen zur Geschichte der Kaisers Maximilian II, Leipzig 1857, Th. I, S. 164: „Auf ein Schreiben welcbea der König an den Pfalzgrat'en und andere Kurfürsten und Fürsten wegen der Triippenwerbung in Deutschland gerichtet, habe jener unlangst geantwortet, und darneben allerlej der religion halben lind der einfuerung der inquisicion in Niderlant angeregt, aucli zwei puechlein y werschwiekt, darunter das eine soll intituliret sein, Oracio [enz., zie in tek9t]. Soll dem Khunig nit wenig frembt furkhumen sein".

Sluiten