Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigeti uit hun midden daartoe afvaardigden1). Stellig onjuist. De edelen hielden zich veeleer schuil. Ook wilden zij de Aprilmaand, de maand der aanbieding van het smeekschrift aan de landvoogdes, liever te Brussel dan te Augsburg doorbrengen. Dr. van Toorenenbergen denkt uitsluitend aan den keurvorst Frederik III van de Palts. Deze voegde de confessie als bijlage bij het gemeenschappelijk geschrift der evangelische vorsten, dat den 19den Mei aan den keizer overhandigd werd. Of wel hij bood haar bij zijn afscheid 24 Mei den keizer persoonlijk aan8). Dr. van Langeraad noemt bovendien als tusschenpersoon Gilles le Clercq, rechtsgeleerde en kerkeraadslid te Doornik3).

Deze afgezant van kerkeraad of synode te Antwerpen kwam in het begin van Januari 1566 te Heidelberg, om den keurvorst een smeekschrift der nederlandsche Calvinisten ter hand te stellen 4). Men smeekte den keurvorst, met behulp der andere vorsten de invoering der inquisitie in de Nederlanden te verhinderen. Daarop schreef de keurvorst in vrij scherpe bewoordingen aan den spaanschen koning, hem tevens Vertoog en Smeekbrief toezendende. Le Clercq heeft metterdaad den rijksdag van Augsburg bijgewoond, of liever met zijn leden een gedurig persoonlijk verkeer geoefend. Van hem bovenal is te verwachten, dat hij het doel van zyn verblijf te Augsburg zal hebben nagestreefd. Gedrukte exemplaren van confessie, Vertoog en Smeekbrief heeft le Clerq ongetwijfeld den keurvorst, en door middel van dezen of zonder hem den keizer ter hand gesteld.

Zijn deze drie gedenkstukken van der vaderen lijden

1) a. w.. blz. 102. Vergelijk Trigland, Kerk. hist. dl. III, blz. 146.

2) a. w., blz. 37 v.

3) a. w., blz. 133—136.

4) Zie het smeekschrift bij dr. van Langeraad, a. w., blz. 134, aan-

teekening 2.

Sluiten