Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in April of Mei, de juiste datum is ons onbekend, en te Augsburg heeft plaats gehad.

In welke betrekking de zeventien nederlandsche gewesten tot het heilige roomsche rijk stonden, was in 1566 voor velen een nevelachtige zaak. Na den dood van Lodewijk den Vromen was het frankische rijk verdeeld, en hoorden met name Holland en Zeeland nu eens tot het fransche, dan tot het duitsche deel. Langzamerhand werden ze geheel tot Duitschland gerekend. Utrecht, Friesland en Gelre waren evenwel niet overtuigd, dat ze verplicht waren om schatting aan het rijk te betalen. Waarbij nog kwam, dat de keizers nu dit, dan dat gewest van de leenroerigheid des rijks ontsloegen.

Keizer Karei V wenschte de zaak tot klaarheid te brengen. Hy zond Yiglius van Zuylichem van Aytta, een bekwaam rechtsgeleerde, naar den rijksdag van Worms, om over de verhouding van Nederland tot Duitschland met de rijkvorsten te beslissen. Doch de vraag bleef onopgelost.

Eerst de rijksdag van Augsburg in 1548 bracht een beslissing, het Bondsverdrag.1) De bourgondische erflanden benevens Utrecht, Gelre en Zutfen zouden tot een afzonderlijken en vrijen kreits, den bourgondischen kreits, vereenigd blijven, en onder bescherming en hoede des rijks staan. Wat rechten en plichten aangaat, zouden zij gelijk staan met twee keurvorsten. Hun bijzondere vrijheden en voorrechten zouden steeds geëerbiedigd worden.

Op deze grondslagen van het tractaat rustten wederzijdsche voordeelen. De Nederlanders mochten in tijden van verdrukking op bescherming hopen, omdat zij „ten eeuwigen dage in de bescherming, verdediging en hulpe

!) Zie dit tractaat o.a. in het Groot Plakaatboek, III, blz. 23.

Sluiten