Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgen toch niet voor den rijksdag van 1566, voor keurvorst Frederik III en Duitschland's Gereformeerden, voor keizer Maximiliaan II en de Nederlanders zeiven.

Welken gezegenden uitslag de behandeling van Vertoog, Smeekbrief en belgische confessie in de rijksvergadering van Augsburg gehad heeft, leert de 25ste April 1566. De evangelische vorsten van Duitschland overhandigden dien dag een geschrift over den godsdienst aan den keizer. Ten spijt der hem vijandige Lutheranen had keurvorst Frederik III hot mede onderteekend. Men leest in dat stuk:

„Ofschoon wy over anderen, die in den godsdienstvrede niet willen begrepen zijn, voor onze persoon niets te zeggen hebben, hoe zij het in hun landen en heerschappijen met hun onderdanen maken, zoo is het ons toch niet weinig hinderlijk, daar de Neder—Bourgondische erflanden in eenig opzicht tot het Rijk behooren, en wij meermalen in vele gevallen van nood in vereeniging met andere loden des Rijks met hen een christelijk en natuurschappelijk medelijden getoond hebben en dit ook verder willen betoonen, dat wij de Spaansche Inquisitie, die vóór vele jaren uit andere oorzaken en niet tegen de Christenen in gebruik gekomen is, ook in zulke ons nabijgelegen landen dagelijks moeten zien, on wjj hebben U. K. M. [Uwe Keizerlijke Majesteit] mede te deelen, dat ons al zulke dingen niet zonder reden aan het hart gaan, vooral omdat wij niet gaarne iemand wilden doen vreezen, dat dewijl onze medebroeders en geloofsgenooten vervolgd worden, de vervolgers niet zullen nalaten, wanneer het hun goeddunken mocht, ook ons op dezelfde wijs te vervolgen en aan te grijpen, waarvoor ons de Heere onze God echter wel bewaren zal".

Tot zulk een rondborstige verklaring ten gunste van Nedeiland heeft Frederik III de evangelische vorsten weten over te halen, ofschoon slechts zeer enkelen zijn zijde hielden, anderen besluiteloos op twee gedachten

Sluiten