Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn meerdere wat rumoerigheid betrof. Kan Sylvanus, die reeds twintig jaar pastor loei was, het voorzitterschap niet waargenomen hebben? En waren Carpentarius en de geleerde Balk, Niël en Mermier, Junius' ambtgenooten te Antwerpen, niet beroemde personen in de kerk ? Was ook Marcus Perez, de bankier ouderling voor wiens invloed zelfs kardinaal Granveile vreesde, niet een man van gewicht?

In één woord, de Mei-synode is niet de Junius-synode geweest. De 21-jarige jongeling, de vreemdeling die nu juist één jaar het predikambt met lof bediend had, kan onmogelijk de leidsman geweest zijn van zulke voorname kerkleeraars. Onder al die verdienstelijke vaderen onzer kerk kan Franciscus Junius wellicht één der hoofdpersonen geweest zijn, de hoofdpersoon was hij zeker niet.

Zoo dienden dan, in de maand April 1566, de verbonden edelen hun request bij de landvoogdes in, om afschaffing der inquisitie en vrijheid van consciëntie te verkrijgen. En zoo herzagen een maand later de verbonden consistoriën hun belijdenis des geloofs, om haar daarna met te meer vertrouwen als banier der waarheid op te heffen. Voorshands was er eenheid van handeling in de vrijheidsbeweging.

Ook wat betreft het herzien der geloofsbelijdenis moet ik opkomen tegen een gangbare onhoudbare stelling, een tweede legende. Men stelt zich namelijk veelal voor, dat de oude Gereformeerden zich inbeeldden, de volle waarheid Gods zoo goed als volkomenlijk in hun confessies saam gevat te hebben. Dat zij daarom by de onbewegelijke letter der belijdenis zwoeren. En dat de varianten, de verschillende lezingen der oudste uitgaven, slechts typografische fouten, druk- en schrijffouten, en taalkundige verbeteringen betreffen.

Niets is echter minder waar. Artikel 7 onzer belijdenis

Sluiten