Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijf is vander Aerden ghemaeckt, ende den geest ende leuen heeft hem God ingheblasen, also datmen indien mensche sulcken excellencie ende wtnementheyt siet, dat het menschelick verstandt te kleyn is, om dat wt te spreken. Hy is sulcks gheweest seyt Dauid, dat hem niet meer en gebrack dan God te syne: hy is met eeren ende heerlicheyt ghecroont gheweest".

Met gelijke overdrijving verklaarde artikel 14 van den gevallen mensch: „Ains a esté fait semblable au iugement [verouderde of foutieve schrijfwijze voor „jument" (van jugmentum of jumentum, trek- of lastdier) welk woord nog in de 16de eeuw gebruikt werd voor „béte de somme, lastdier"]. Maer is den vee ghelijck gheworden". De synode verbeterde meer bijbelsch: Maar heeft zich zeiven willens der zonde onderworpen, en over zulks den dood en vervloeking".

Artikel 14 bevat voorts de gedenkwaardige uitspraak over de kleine overblijfselen van het beeld Gods in den gevallen mensch, „welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen". Hier nam de synode de woorden weg: Mais elles ne sont pas suffissantes poui nous faire trouuer Dieu. Maer niet om ons goet [lees: God] te doen vinden". Al weder een bewijs, hoe men de schuld der zonde op den voorgrond bracht, en alles wegnam, wat haar in de schaduw plaatste. Een proef van de gebrekkigheid der oudste nederlandsche uitgaven (1562 —'64) is de zonderlinge fout, die zij allen hebben in de vertaling van deze woorden: „Maer niet om ons goet te doen vinden". Een blijk, dat men verkeerd doet door met Dr. A. van der Linde te beweren, dat die oudste nederlandsche drukken „het zuiverst den inhoud der waarheid" teruggeven. De oudste uitgaven zijn het werk van private misschien ook minder ontwikkelde personen geweest. In de latere synodale uitgaven is voor den zuiveren inhoud der belijdenis, naar den plicht der synoden, beter gezorgd.

3

Sluiten