Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In hetzelfde artikel verviel het slot. „Et Christ dit encore, Qui fait pêché, il est serf de pêché: oü sera donc son franc-arbitre? Ende Christus seyt noch: Die sonde doet, is der sonden knecht: waer is dan synen vrijen wille"?

Ook artikel 14 is in 1566 geheel omgewerkt.

De belijdenis bleef wat ze was, calvinistisch van natuur en leertype. Denk aan de „kleine overblijfselen" van het beeld Gods in den gevallen mensch. Artikel 14 spreekt van „des petites traces, een kleyn ouerblijf', in de vertaling van den tekst van 1566 (uitgave 1582) „kleyne voncxkens". Niet maar „kleine aanwijzingen, dat de gaven er geweest zijn", maar overblijfselen, waarvan de latijnsche officieele uitgave der dordsche synode van 1618/19 de positieve aanwezigheid uitdrukt door tegenover „exigua vestigia" te stellen „quae tarnen ad reddendum eum inexcusabilem sufttciant". Calvijn stelde, dat het beeld Gods in den zondigen mensch niet vernietigd, maar bedorven is. Van den gevallen protoplast leerde hij: Quare, etsi demus non prorsus exinanitam ac deletam in eo fuisse Dei imaginem, sic tarnen corrupta fait, ut quicquid superest, horrenda sit deformitas. Daarom, ofschoon wij toegeven dat het beeld Gods in hem niet geheel en al vernietigd en verwoest is geweest, zoo is het toch zóó verdorven geweest, dat hetgeen overblijft, een ontaarding is om van te schrikken"'). Op zijn voetspoor spreekt de belijdenis van „verloren" en „overig behouden".

De belijdenis bleef calvinistisch. In artikel 81 nam de synode de woorden weg: „Et pourtant nulle Eglise n'a aucune authorité ny domination sur 1'autre pour y seigneurier. Ende daerom en heeft gheen Kercke eenige macht noch heerschappie over de andere, om daer ouer te heerschen". Ziedaar een grondbeginsel der gerefor-

1) Institutionum christianae religionis libri quatuor, I, XV, 4.

Sluiten