Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

confessie zag men destijds gewoonlijk om naar steun en bescherming, naar approbatie en recommandatie. Daartoe zond men vooraf de kopy aan geestverwanten ter inzage. Bij min gunstig bescheid zal men wel kalm zijn gang zijn gegaan met drukken en verspreiden van het onverhoopt niet goedgekeurde geschrift.

Wijlen professor Kleyn overdreef dus de beteekenis der goedkeuring, toen hij concludeerde: „Toen [Mei 1566] ontving Junius op de Waalsche Synode de opdracht de Confessie, die dus nog niet officieel aanvaard was, ter goedkeuring naar Genève te zenden" ').

Want de confessie was reeds in 1561 of '63 officieel aanvaard. De aanvraag om goedkeuring was een betooning van broederschap, een eere-bieding, meer niet. Zij stelde geenszins het lot der confessie in handen der Genevensers. Immers terwijl hun antwoord nog toefde, was de belijdenis reeds „openbaar gemaakt", gelijk de Genevensers zeiven getuigden. Van een intrekken der nu reeds jaren bestaande belijdenis kon, zelfs naar het oordeel van die van Genève, geen sprake meer zijn.

Dat de herziene belijdenis in franschen tekst nog in 1566 te Genève bij den bekenden boekdrukker Jean Crispin gedrukt is, lijdt natuurlijk geen twijfel. De derde fransche druk derhalve. Zeer tot ons leedwezen bestaat er echter geen enkel exemplaar meer van.

Nog begeerlijker ware een exemplaar van een andere editie, die in één bundel met den Smeekbrief aan keizer Maximiliaan en met het Vertoog der kerke Christi te Antwerpen in 1566 uitgekomen is. Thysius beroept zich op deze uitgaaf, alsof hij haar gezien had. Waarom wijlen professor Fruin aan haar bestaan twijfelde, is mij een raadsel. Niets toch was natuurlijker dan dat de confes-

1) l'rof. H. G. Kleyn, Bijzonderheden uit de Ned. Kerkgeschiedenis, in de Kerkelijke Courant van 1H9G, n". 12. XIII. De aanneming der Ned. Confessie als formulier van Eenheid.

Sluiten