Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuimige vergadering. Bovendien telde het verbond der edelen vele roomsche en luthersche leden. Stel u in dien kring de voorlezing voor der artikelen 34 en 35 over doop en avondmaal, samen meer dan vijf bladzijden vullende. Zulke langwijligheid kon meer kwaad dan goed doen. En toch, op den indruk dien de vergadering van het voorgelezen stuk ontving, kwam het aan.

Bovenal, de belijdenis was wat „zwaar op de hand". Haar rechte waardeering onderstelde heel wat schriftuurlijke en leerstellige kennis bij haar lezers. Doch juist die kennis stond bij vele edellieden dier dagen niet in verhouding tot de oudheid van hun stamboom of den luister van hun geslacht. Wie kent mannen als heer Hendrik van Brederode of Lamoraal graaf van Egmonl voldoende godsdienstige kennis toe? Nicolaas de Hames toonde den adel te kennen, toen hij 12 Juli 1566 van uit Brussel naar Brederode te Antwerpen schreef1): „Vervroeg de Synode, en dat de Belijdenis zoo veel mogelijk pasklaar gemaakt worde voor de vatbaarheid der vergadering".

De bestaande belijdenis kwam dus niet in aanmerking, waar het gold op de aanstaande vergadering te Sint Truijen een gereformeerde confessie over te leggen. Dat ze met dien voorbijgang in het minst niet in haar bestaan en gezag bedreigd werd, spreekt van zelf.

Het kwam er nu op aan, een nieuwe belijdenis te ontwerpen. Een gelegenheids-belijdenis, speciaal geëigend voor den dienst op de vergadering te Sint Truijen, van meet af bestemd om na die vergadering weer te verdwijnen. In die confessie ad hoe moesten kortheid en eenvoudigheid vóór alles betracht worden, terwijl de gereformeerde leertype vooral in het bijbelsch karakter der confessie moest aan het licht komen. Met dat

■1) Hastez la Synode, et que la Confession soit accominodue Ie plus qu'il sera possible a la capacitc de 1'assemblée.

Sluiten