is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Sint Truyen één enkele teleurstelling toe. „Wij kwamen, zagen, en werkten niets uit"1).

Wat geen duidelijk aanwijsbaar succes heeft, raakt licht in het vergeetboek. De korte geloofsbelijdenis van 1566, een betere benaming dan de traditioneele „de verkorte geloofsbelijdenis van Juniusverscheen indertijd anoniem en zonder opgaaf van drukplaats. Sinds verdween zij voor eeuwen. Zelfs Brandtzag haar nooit. Aan den verdienstelijken belgischen historicus Ch. Rahlenbeck danken wij haar terugvinden s). Bevoegde personen in onze dagen houden haar voor een afkorting der Belgica. Daartegen verheft Junius' autobiographie haar stem, sprekende van „een kort geloofsgeschrift van uitdrukkelijke Schriftuurwoorden, vluchtig opgeteekend". Anders had Junius toch zeker de confessie van de Bres nader aangeduid. De korte geloofsbelijdenis schijnt ook tot het voorlezen bij de veldpreeken gebruikt te zijn geweest.

Deze „treffelijke bekentenis" 4) beslaat onverkort ruim twee bladzijden groot 8° druks. Hier volgt een uittreksel in hollandsche vertaling van mijn hand, dat den belangstellenden lezer eenig overzicht verschaffe.

„Kort begrip van de belijdenis des geloofs, welke zij moeten afleggen, die begeeren te worden gehouden voor leden der kerk van Jezus Christus: Gelezen na de openbare preek gehouden bij Antwerpen den 28stü" Juli 1566.

1) Dr. v. Langeraad a. w. blz. 137—140 meent, dat de korte geloofsbelijdenis van Junius en haar geschiedenis bewijzen, dat een synode van 1566 zou kenbaar maken, „wat nu eigenlijk als geloofsregel der Kalvinisten gold'', dat er tot dusver niet „eene geldende Confession geweest" was, en dat de kleine geloofsbelijdenis „door Junius vervaardigd" het beste bewijs hiervan is. Een voorstelling, die de geschiedenis der nederlandsche geloofsbelijdenis van 1561—1566 eenvoudig te niet doet.

2) I, blz. 337, en Aanteekeningen blz. 40.

3) Medegedeeld in de Kronijk van het Historisch Genootschap te Utrecht, jaargang XXII, 1866.

4) F. W. Cuno, a. a. O., S. 27—30, waaraan ik een en ander ontleende.