Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier eerste generale conciliën aanhaalt, doet ze wel. Want deze conciliën zijn de onzen, of der katholieken; gelijk ook al het goede, dat zij aangaande God belijden. Want al deze dingen hebben zij niet dan van de katholieken geleerd." Daarom moeten simpele lieden hen niet terstond op hun woord gelooven, maar eerst afwachten wat de katholieken er tegen zeggen, gedachtig aan het woord: „De discipel is niet boven zijn meester, maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester" (Luk. 6:40). Want wie zou in moeielijke zaken niet liever leermeesters dan leerlingen gelooven?

Dan volgt de klacht, dat „zij" die generale conciliën niet houden. De bespreking, in welken zin het woord van Hand. VII te verstaan zij, dat God niet woont in tempelen met handen gemaakt. En het betoog dat Christus, evenmin als in de zonde, ons ook niet gelijk is geworden in alles wat strijdt met de volheid der wijsheid en gerechtigheid. In het kind Jezus was geen onwetendheid (hoofdstuk 1 — 3).

Dat Christus de Middelaar Gods en der menschen is, en de eenige Verzoener der menschen bij den Vader} belijden ook wij volgaarne. Maar dat dit de aanroeping der heiligen opheft, ontkennen wij (hoofdstuk 4). Aardig gevonden bijbelplaatsen haalt Hessels voor zijn gevoelen aan. Uit het feit dat Christus de eenige Middelaar Gods is, volgt immers niet dat de heiligen, hier levende, niet voor elkander moeten bidden, gelijk Paulus in Rom. XV vei zoekt (vgl. 2 Cor. 1:11a); en dat de geloovigen niet wederkeerig voor elkander moeten bidden, dat zij behouden en met God verzoend worden. Zoo volgt er ook niet uit, dat men de heiligen, die met Christus in den hemel zijn, niet mag bidden, dat zij voor ons tusschen beiden komen. Want zij zijn onze medeleden, tot één kerk met ons verbonden. Hetgeen de belijdenis verzekert, dat de heiligen in den hemel van ons niet weten, strijdt duidelijk met de H. Schrift, welke leert dat er vreugde

Sluiten