Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet heeft opgevolgd ')• De kerkvader Irenaeus de Martelaar2) spreekt aldus: „Christus, aan zijn discipelen den raad gevende de eerstelingen Gode uit zijn schepselen te offeren, niet als aan Een die iets behoeft, maar opdat zij zeiven noch onvruchtbaar noch ondankbaar zouden zijn, heeft hem genomen die van schepselwege brood is, en heeft gedankt zeggende: Dit is mijn lichaam; en heeft insgelijks den beker, welke van die creatuur is, die eerst na ons volgt \ als zijn bloed beleden, en heeft onderwezen de nieuwe offerande des Nieuwen Testaments, welke de kerk van de apostelen ontvangende, in de ge-

heele wereld Gode offert."

Waarvan Maleachi [1:10 en 11] aldus heeft voorspeld: „Ik heb geen lust aan u, zegt de Heere der heirscharen, en het spijsoffer is Mij van uw hand niet aangenaam. Maar van den opgang der zon tot haren ondergang zal mijn naam groot zijn onder de heidenen, en aan alle plaats zal mijnen naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer." Ofschoon dus het eerste volk zal ophouden Gode te offeren, zoo zal toch aan alle plaats Hem een offer gebracht worden. Te meer verwonderlijk is dus de boosheid en verkeerdheid van den auteur dezer belijdenis, die niet schroomt van onze mis te verzekeren, dat zij „den onreynen Offer des Broodts Maleachi is"«

De Corte Belydinghe verwijst hier namelijk in een kantteekening naar Mal. 1:7: „Gij brengt op mijn altaar

verontreinigd brood."

Het goed recht van het misoffer wordt vervolgens

1) De civit. Dei, li. 7, cap. 5 en 20, en lib. 20, cap. 21. Hessels vergist zich blijkbaar in de opgave der citaten. Want behalve in de laatstgenoemde plaats spreekt Augustinus in deze capita nergens van de zaak

die in debat is.

2) Irenaeus martyr lib. 4 contra Valentinum cap. Al.

3) Qui est ex ea creatura, quae est secundum nos.

Sluiten