Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Augustinus1): „Ofschoon men volstrekt nergens in de schriften van dergelijke [afgestorven] zielen leest, zoo is het nochtans duidelijk, dat deze gewoonte geen kleine aanbeveling is, dat in de gebeden van den priester, die tot den Heere God bij zijn altaar opgezonden worden, ook de aanbeveling der dooden haar plaats heeft. Reeds oudtijds werden dan ook om ketterij veroordeeld zij die leerden, dat men voor overledenen niet moet bidden, of offers brengen. Zie bij voorbeeld Augustinus en Epifanius tegen Aërius (hoofdstuk 13).

Daniël XI: 31: „en zij zullen het gedurig offer wegnemen", geldt niet het offer der christenen, dat eeuwigdurend is. Maar spreekt van het joodsche offer, in Numeri XXVIII vermeld, dat koning Antiochus Illustris heeft afgeschaft. Want indien God door een gedurig offer, door het paaschlam, Israël's verlossing uit Egypte wilde in gedachtenis houden, hoeveel te meer wil Hij, dat zijn meer geliefd volk een eeuwige gedachtenis zal houden der verlossing uit den eeuwigen dood

(hoofdstuk 14).

Voorts verordenden de kerkregeerders onder aandrift des Geestes sommige gebeden en voorlezingen uit de profeten en evangeliën, sommige liederen en psalmen, om te zingen bij het brengen van het offer des altaars. Zij volgden slechts het voorbeeld van Christus (Matth. XXVI, Joh. XIII-XVI), Paulus (1 Tim II), Jacobus (Jac. V) en David (1 Kron. XXV). Augustinus was daarom van meening, dat het voornaamste, dat in de mis gelezen wordt, door Paulus zeiven geordineerd was. Afkomst en beteekenis van het woord „mis" vallen buiten bestek van ons boeksken. Ambrosius zelf bezigde

1) In lib. de eura pro mor. c.1.: „Etsi nusquam in scripturis omnino legeretur de talibus animabus, non parva tarnen hac consuetudine claret authoritas, ubi in precibus saeerdotis, quae Domino Deo ad eius altare funduntur, locum suum habet etiam cominendatio mortuorum.

Sluiten