Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het woord, en gebruikte denzelfden canon als wij. Al wat in de mis gelezen wordt, is uit de Heilige Schrift genomen of stemt er zeer mede overeen (hoofdstuk 15).

Tot zoover de uitvoerige verdediging van de leer der mis. De lezer zal reeds opgemerkt hebben, dat Hessels voor zijn tijd niet tot haar minst geoefende aanprijzers behoorde.

Artikel 9 der Corte Belydinghe, „Van het heylige Doopsel", leverde hem nieuwe aanleiding tot verzet. De ministers, de protestantsche leeraars, doopen namelijk zonder exorcismi, duiveluitbanningen, en andere ceremoniën. Christus gaf evenwel den prelaten macht (Luk. X), om in de kerk regelen, dus ook doopregelen, te stellen. Paulus handhaafde deze zijn macht uitdrukkelijk (1 Cor. XIV: 37). David, die zoo lang na Mozes leefde, regelde en verdeelde het getal der zangers bij de offeranden (1 Kron. XXIII). Coelestinus legt met doopceremoniën de voornaamste hoofdstukken van ons geloof uit, de erfzonde en Christus' genade. Zal dan de gansche kerk over heel de wereld een dwaze instelling aankleven ?

(hoofdstuk 16).

Artikel 11 der Corte Belydinghe, „Dat de Kelc den Leecken 't onrecht onttogen wort," is te anti-roomscb, dan dat Hessels het zwijgen bewaren kan. Zijn verdediging van de avondmaalsviering met onthouding van den beker aan de niet-priesters is zeer sophistisch, één en al drogrede. De Corte Belydinghe „liegt", dat Christus aan alle leeken bevolen heeft uit den beker te drinken, wijl Hij dat nergens beveelt. Maar dat „drinkt allen daaruit" is slechts tot de apostelen gezegd. Ook bevat het geen bevel, maar slechts een noodiging om te drinken. Zelfs leert de Schrift, dat het niet van allen geeischt wordt. Want zij zegt (1 Cor. XI): „zoo dikwijls gij den drinkbeker des Heeren zult drinken, zoe verkondigt den dood des Heeren." Niet zooals van het brood zegt ze: „doet dit tot mijn gedachtenis", dat is offert en eet

Sluiten