Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat Hem aangenaam is, namelijk goddelijke eer. In de woorden „Dit is mijn lichaam", mijn, dat is van Jezus Christus, den Zoon Gods, is gegrond de aanbidding der eucharistie. Gelijk voorheen geleerd hebben Augustinus en Ambrosius, Chrysostomus en Theodoretus, Basilius en de geheele kerk (hoofdstuk 19).

Over artikel 15 der Corte Belydinghe, „Van der christen Yryicheyt in spyse", valt ook geschil. Hessels herinnert aan Augustinus' uitspraak: „Ik zie in de evangeliën en in de apostolische brieven en in het geheele Nieuwe Testament, die met ijver naslaande, dat vasten geboden is, maar op welke dagen men niet moet vasten en op welke wel, vind ik niet dat door een bevel des Heeren of der apostelen bepaald is." Waarom zou de kerk geen regels hieromtrent betreffende dagen en spijzen mogen vaststellen? Reeds van ouds is Aërius voor ketter gehouden, wijl hij leerde dat men de kerkelijke vastendagen niet behoefde te onderhouden. Wij zeggen, dat hetgeen den mond ingaat, den mensch niet verontreinigt (Matth. XV). De mensch wordt ontreinigd door lekkerbekkerij, en door ongehoorzaamheid. De substantie of het wezen der door de kerk op bepaalde dagen verboden spijs is een rein en goed schepsel Gods, naar 1 Tim. IV : 4. Zoo heeft zelfs niet de substantie van den boom der kennis des goeds en des kwaads, maar enkel de ongehoorzaamheid Adam ontreinigd. Want het koninkrijk Gods is niet spijs en drank (Rom. XIV: 17), maar is onthouding, kuischheid, matigheid, dooding des vleesches, gehoorzaamheid. Christus belooft loon aan hem die vast (Matth. VI: 18), in tegenspraak met wat de belijdenis in

artikel 16 beweert.

Ook drijft de belijdenis de christelijke vrijheid. Welnu, de wetten der kerk over het vasten strijden niet meer tegen de vrijheid, dan de burgerlijke wetten dit doen. Beiden bevorderen de vrijheid. Zij is immers gelegen in vrijheid van de zonden, en ijver om God te dienen,

Sluiten